De spelers op het speelveld

Arrangeren, Combineren, Effecturen: ACE is het basisritme van procesmanagement. De eerste stap: Arrangeren, bestaat uit drie substappen:

  1. Wat is het speelveld? Lengte, breedte en hoogte van het speelveld worden bepaald door de behoeftestelling, vraagstelling en / of opdracht waaraan je werkt. Gaat het om het invoeren van betaald parkeren in de binnenstad (een nauwe vraagstelling met weinig variatiemogelijkheden en sterke standpunten)? Of om de vraag, hoe we de binnenstad bereikbaar houden (brede vraagstelling, veel oplossingsmogelijkheden)?
  2. Wie zijn de spelers? Wie hebben belangstelling voor, een belang in, of voelen zich nauw verbonden met het proces? Wie willen graag op het speelveld staan? Wie wil jij uitnodigen om deel te nemen? Hoe verhouden die spelers zich onderling, formeel en informeel?
  3. Welke spelregels hanteren we? Een spelregel die altijd voorkomt: gedurende een procesronde is sprake van een gelijk speelveld. Iedereen heeft evenveel te vertellen, naar iedereen wordt even aandachtig geluisterd. We weten allemaal dat het daarna weer anders is. Maar als in een procesronde de een meer te vertellen heeft dan de ander, is het geen proces maar een dictaat.

Spelers en hun onderlinge verhoudingen

Een klus, opdracht, behoeftestelling krijgt betekenis doordat partijen en personen zich daartoe verhouden. Zij vinden er (n)iets van, willen er (n)iets mee en jij wilt hun draagvlak en draagkracht mobiliseren. Daartoe moet je het krachtenveld leren begrijpen, benutten en be√Įnvloeden waarbinnen zij opereren. Je moet, met andere woorden, het krachtenveld meer voorspelbaar maken.

Dat begint bij het maken van een overzicht – wie zijn er allemaal bij betrokken? Welke partijen, organisaties, vertegenwoordigers, personen? Wie daarvan zijn op dit moment relevant?

Vervolgens zijn er diverse manieren om in beeld te brengen hoe het krachtenveld eruit ziet. Wij hebben de relatief inhoudsvrije¬†matrix van invloed en initiatief gebruikt. Daarmee positioneer je spelers ten opzichte van elkaar als top dog, sfeermaker, Ed Bever of potential. En in een moeite door maak je duidelijk waar gaten vallen in de krachtsverhoudingen, waar de procesproblemen in je klus zitten en welke dynamiek in het krachtenveld gewenst is. Zo ontstaan verschillende perspectieven en, door goed te kijken, meerdere handelingsopties. Huiswerk: welke dynamiek moet in jouw krachtenveld? Welke acties neem je? En welke ongewone? Hoe ziet de wereld eruit als het lukt zoals je verwacht, als het geheel mislukt, als het extra goed lukt? Werk de scenario’s in steekwoorden / hoofdlijnen uit en neem ze mee naar de volgende bijeenkomst.

Een krachtenveld van actoren is als een speelveld vol spelers. Aard, aantal en onderlinge verhouding van de spelers maken het speelveld groter of kleiner. Staan er achterbanvertegenwoordigers op, met last van ruggespraak; mensen die niemand anders dan zichzelf vertegenwoordigen; zijn het er 3, 10 of 100?

Hoe groot de spelers het speelveld ervaren wordt niet alleen bepaald door de conflictpiramide maar ook door de ruimte die spelers hebben om te bewegen. Is er weinig bewegingsvrijheid, dan zijn de ruimtes klein, en omgekeerd. Door de bank genomen verschijnen spelers aan de start van een proces met veel standpunten en dus weinig bewegingsvrijheid. Dat maakt de procesruimte klein, en het spel heeft weinig kans zich te ontwikkelen. Het is daarom de kunst, niet alleen zelf meervoudig naar die standpunten te kijken, maar ook de spelers te faciliteren hun opties te vergroten. Dat doet je door de standpunten te (laten) ontbinden in factoren. Een standpunt gaat terug op belangen, behoeften en randvoorwaarden van een actor. Dus in plaats van 1 onbeweeglijke stellingname heb je 3 aangrijpingspunten om binding met een actor te organiseren.